![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Tura (Troubadoura) Gerards * Postbus 1248 * 1000 BE Amsterdam * Tel.: 0031 (0) 20 - 618 00 37 * Tura email * Tura op Hyves * Tura op You Tube |
||||||||
ALLE KINDERLIEDJES VAN TURA ZIJN < los en als album > TE DOWNLOADEN via
iTunes
of
LegalDownload
![]() |
INHOUD
1963: Ik ben zes jaar en zit op de Sint Antoniusschool, een katholieke jongensschool in Venlo, in de eerste klas (wat nu groep 3 zou heten). Ongeveer midden in de ochtend is mijn moeder bezig met haar huishoudelijke taken in de keuken wanneer ze gestommel hoort in de aangrenzende bijkeuken, een vochtige ruimte waarin behalve voor fietsen plaats is voor gereedschap, schoonmaakmiddelen en de weckketel. "Wat doe jij hier?" roept mijn moeder verbaasd. Ze had niets anders verwacht dan dat ik op school zou zitten. Ik sta net op het punt naar buiten te gaan met een zware vracht. Mijn handen heb ik daadkrachtig om de steel van vaders bijl geklemd.
"Ik ga haar doodmaken," schreeuw ik, "ik ga
haar doodmaken!
Haar, dat was juffrouw Tax, een ongetrouwde
ijzeren dame die juf was waar ik leerling moest zijn. Volgens mijn moeder bleek
er die ochtend het volgende te zijn gebeurd: mevrouw Tax had mijn opgestoken
vinger genegeerd bij de vraag wat het Venlose
woord was voor 'stroop'. Ik wist het.
1961: De kleuterschool op de
Maagdenbergweg
te Venlo. Juffrouw Lenie heeft een poging om mij haar wil op te leggen moeten
bekopen met een welgeplaatste schop tegen haar schenen. Blauw schijnen ze
geweest te zijn. Tot in de vijfde klas
van de lagere school werd ik daaraan door docenten herinnerd. Het drama is een
locale
volksvertelling geworden waar ik mij vreemd genoeg helemaal niets van herinner.
Maar ik had naam gemaakt.
1967: ik ben 10 jaar. Meester Stikkelbroek
(ik hoop dat ik zijn naam juist geschreven heb) was de meester van de vierde
klas. Hij was een toffe peer! Maakte grapjes met me, dolde me af en toe. Met
meester Stikkelbroek kon je lachen. Leuk. De bel van de Rooms-Katholieke Jongensschool St. Antonius te Venlo heeft oorverdovend gerinkeld ten teken dat we speelkwartier hebben. Alle jongens spoeden zich het klaslokaal uit, richting trap, om zo snel mogelijk buiten te komen. Meester Stikkelbroek staat op de middenetage van de trap, voorover leunend op de reling. Hij staat daar waar de trap een hoekige bocht van 180 graden maakt en inspecteert de uittocht der leerlingen.
Ik zie hem staan en voel ineens
intens hoeveel ik van die man hou. Zijn aandacht is gericht op de kinderen
die al bijna beneden zijn. Op het punt waar ik hem achterlangs ga passeren,
schiet mijn linkerbeen onverwacht vrolijk en krachtig weg en belandt mijn
schoen als een vriendschappelijk bedoeld gebaar op zijn opmerkelijk zachte
achterwerk. Die leuke meneer Stikkelbroek. Hier ben ik, kent u me nog? Van
vorig jaar?
Ik weet niet meer welk jaar het was en hoe oud ik was. Ik denk altijd dat ik vier-vijf jaar was, maar zeker weet ik het niet. Maar in mijn hoofd zie ik nog altijd dat ene magische beeld in onze oude koude keuken. De gevlochten loper op de zwart-bruine-wolken-tegels. De koele deur naar de bijkeuken voel ik in mijn rug. Links van me de houten la onder het granieten aanrecht, de la die zo zwaar was om uit te trekken, maar die nu wagenwijd openstond en licht naar beneden helde. Tegenover mij, in de deuropening van de gang, staan mijn vader en moeder stijf van schrik mij aan te staren. De ogen hol en glazig. Het doorgeefluik naar de eetkamer, voor mij links van de gangdeur, staat open: ergens in die kamer moeten mijn beide oudere zusjes zich bevinden maar ik kan hen in mijn herinneringsbeeld niet meer vinden. Zij moeten getuige geweest zijn van de woordenstrijd die even daarvoor plaats had gevonden rondom de eettafel. En van het gelijk dat ik bevocht met mijn moeder, en van mijn onwil om me te plooien naar haar wil. En mijn zusjes moeten ook gehoord hebben hoe ik er plotseling door mijn vaders brullende stem een gigantische tegenstander bijkreeg.
"En nu luister je naar je moeder en gauw
een beetje!"
Ik voelde me al warm en rood maar ik herinner me hoe ik,
plotseling bezeten door een machtige kracht, in vuur en vlam stond. Mijn lijfje
bolde op en er was niets in de wereld wat mij nog kon tegenhouden. Ik had gelijk.
Ik! Zo was het. En niet anders!
Met het houten heft van dat mes stevig in
mijn rechterhand, en het lemmet ervan dwars over mijn linkerpols, druk ik me mijn rug tegen die
koude deur van de bijkeuken.
Ik heb die dag geen straf gehad. Mijn moeder heeft mij gezalfd met woorden van glas en warme melk. Mijn vader bleef beneden in de huiskamer achter. Nooit eerder was ik zo blij met mijn veilige warme plek in mijn bed in mijn eigen kleine kamertje.
Op de onderstaande foto ben ik bijna 6 jaar. De aanwezige fotograaf was ik op een gegeven moment vergeten, net als alles en iedereen om me heen. Mijn handen zaten in de klei, mijn ogen verdwenen in klei, mijn gevoel werd gekneed in klei, ik was van klei.
De man met de camera was snel, heel snel. Voor die ongeëvenaarde snelheid ben ik nog altijd dankbaar. De Grote Leegte is nog net te zien in mijn klei-ogen.
Nu nog altijd dring ik die kinderpupillen binnen en kom thuis in mijn oude wereld van concentratie, mijn eigen warmwaterbron en mijn geheime holletje waarheen ik altijd nog terugkeer wanneer ik liefde mis. In mijn eerste levensjaar ontwikkelde ik een gewoonte waarvan niemand wist wat het betekende en wat er mee moest gebeuren. Plaats van handeling was mijn bed. Ik wipte, zo noemden mijn ouders dat.
(Mijn moeder weet zeker dat ik er mee begon toen ik nog niet kon lopen. En aangezien ik me ook nog herinner wat ik gedurende die handeling voelde, moet ik hier zeker tot mijn vijfde mee bezig zijn geweest.)
Er is een dierbare herinnering die,
telkens als ik hem in mijn geheugen binnenhaal, zich zalig uitbreidt als een
verse heetwaterstraal in een afgekoeld bad. Het gebeurde ooit tijdens het wippen. Dit is het plaatje:
Was ik 7 jaar? Ouder? In de Prinsenstraat
achter ons huis stonden een zeven(?)tal oude huisjes in een rij. Naast de deur van
sommige hing een bordje met de woorden: Onbewoonbaar verklaard. In die huizen
woonden een aantal grote families die niet deelnamen aan de katholieke
gemeenschap van de Maagdenbergparochie van Venlo en die, zo gingen de verhalen,
veel deden wat God verboden had.
Een van de families uit de straat had een
mij onbekend aantal kinderen en een van hen was Peter, een jongetje met oranje
haar die opmerkelijk ontspannen bleef wanneer het 'Roje! Roje' door de lucht
galmde. Je zag hem niet zo vaak maar op een zonnige dag stond hij voor mij op de
open speelplaats van de meisjesschool naast ons huis met een zak snoep en bood
mij wat aan. Aarzelend koos ik een toffee. Zou dat snoep wel schoon zijn?
"Ben maar blij dat je bij ons geboren
bent, en niet bij die familie." Het was geruststellend bedoeld. Ik had gewoon geluk gehad, zo bedoelde ze het. "Ben maar blij dat je bij ons geboren bent, en niet bij die familie." Ik ben haar nog altijd ontzettend dankbaar voor die woorden. "Ben maar blij dat je bij ons geboren bent, en niet bij die familie." Mijn moeder kan zich die woorden niet meer herinneren maar ze brachten mij tot een diepgaand verlangen. Vanaf die dag zocht ik voor mezelf naar het antwoord op de vraag: "Waarom leef ik?" Waarom ben ik niet Peter en waarom is Peter niet mij? Waarom ben ik bij mijn moeder geboren en waarom Peter bij de zijne?
Op mijn 32-ste, in de stad Poona, ongeveer
130
kilometer ten zuid-oosten van Bombay in India, heb ik het antwoord gevonden op de vraag
waarom ik leef.
|
|||||||